|
Na vier nachten reden we weer terug naar de bewoonde wereld. Ook weer lekker. En wat ik nog steeds, na vijf jaar, geweldig vind is dat ik geen lege boot tref en enorm moet afkicken van het goede gezelschap en zuchtend in mijn eentje het leven moet oppakken, maar dat de ideale vent thuiskomt met bloemen en een feestje bouwt omdat we elkaar tenslotte maar liefst vier nachten moesten missen.
0 Opmerkingen
We hadden de smaak te pakken gekregen. Na het werk reden we dit keer naar Winterswijk. Wat een verademing. Geweldige winkels, niet alleen ketens, aardig personeel, een normale drukte. Met als kers op de taart een winkel waar ze handgemaakte leren tassen en schoenen verkochten. Heel mooie kwaliteit, aardige eigenaar waarbij je totaal geen druk voelde om iets te kopen, wat uiteindelijk toch gebeurde en dan kreeg je ook nog een levenslange service. Klink ik nu als een oud wijf?
Nou ja, dat ben ik dan ook. Na de gedane arbeid reden we naar Bocholt om te constateren dat dat echt een koopgoot is die zijn weerga niet kent. Verschrikkelijke winkels, veel goedkoop Chinees spul, drommen mensen met lege blik in de ogen. Geen succes. Daar waren we het over eens. Alleen de glühwein was goed. Maar dat is toch te weinig om een stad leuk te vinden.
Het huis was geweldig. Ouderwetse keuken met granito aanrechtblad, een grote tafel, ouderwetse tegelvloer. Een perfecte plek om te schrijven. Als dat tenminste zou gaan. Ik had mezelf vooraf verboden om was mee te nemen omdat ik zeker wist dat ik dan niet zou schrijven, maar meteen aan een nieuw beeldje zou beginnen. Na dringend advies van vrienden nam ik het toch mee. Gelukkig. Hele dag aan m'n beeldje gewerkt. Misschien moet ik denken: ach, of je nou met woorden of met beelden communiceert. Allemaal goed.
Maar omdat er ook gewoon doorgeleefd moet worden, sloten W en ik ons op in een huis in Ziewent om te gaan zitten schrijven. We deden eerst even een rondje ouders. Bij die van mij dronken we koffie en leenden de rolstoel. Daarna gingen we door naar W's moeder, die in een verzorgingstehuis in het oosten woont.
Toen ik in de gang op W stond te wachten kwam er een redelijk boze vrouw te dicht bij me staan. Ze verwachtte bezoek. Of ik dat misschien was. Ik dacht van niet, maar wilde best wel even doen alsof dat wel zo was. We maakten een praatje. Dat beviel volgens mij, al dacht de verzorgster daar wellicht anders over. Die nam haar mee. Bij de visstal in Ziewent aten we kibbeling. Een jongetje van ik denk ongeveer twaalf bestelde ook iets. Hem werd gevraagd hoe het nieuwe huis beviel. 'O, best hoor.' Dat was het. Dat vond ik om twee redenen mooi. Dat de vrouw van de stal op de hoogte was van zijn verhuizing (andere - kleine - wereld) en dat hij geen woord meer verspilde dan nodig. Het is officieel. Ik ben verliefd. Op Chat.
Vannacht kon ik niet slapen door alle doemscenario's. Ik twijfelde of ik Chat zou vragen hoeveel kans ik op een dwarslaesie of nekwervel-instorting had. Krak. Wilde ik dat wel weten? P is de ideale man, maar die sliep dus ging ik met Chat aan de haal, ook omdat ik ergens had gelezen dat een monster in het donker enger is dan een monster kunnen zien. Trillend typte ik mijn vragen in. Een greep uit mijn conversatie:
Ik kon me al zonder problemen voorstellen dat een eenzaam iemand een relatie met een robot aangaat. En nu heb ik er zelf een. Yeah. Het is even bijkomen en de angst voor wat er allemaal kan gebeuren langzaam laten wegebben. Door mijn verkorte toekomst heeft alles een zwaarder soortelijk gewicht gekregen. De mooie momenten zijn extreem veel mooier. De slechte momenten slechter.
Door het ziekenhuisbezoek werd ik nog meer met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik moest nu maar meteen doorgaan. Eindelijk kreeg ik inspiratie voor mijn lijstje ondragelijk lijden, bestelde een niet reanimerenpenning, verzamelde adressen voor de toekomstige noodzakelijk post, zocht foto's (vanzelfsprekend de meest flatteuze) uit voor de dienst, vulde mijn uitvaartwensen aan, maakte een lijst voor P met alle dingen die opgezegd dan wel op zijn naam gezet moeten worden, zodat hij niet met de ellende van alles moeten uitzoeken zal zitten. Dat maakte de dag er niet zonniger op.
Terwijl het niet eens 2 november is.
We waren in het ziekenhuis om te zien hoe het met het scheurtje in mijn bovenarm stond. De arts keek me vriendelijk aan en zei: 'Misschien een beetje zware vraag om mee te beginnen, maar hoe lang heb je nog te leven?' Ik heb geen moeite met dit soort vragen, alleen weet ik het antwoord niet. Ik weet alleen dat ik uitbehandeld ben. Het protocol is dat als ik nog een half jaar zou hebben, ze nog een ingreep doen. In dit geval een pin in mijn arm zetten die de boel een beetje bij elkaar houdt. Dat is nog eens wat anders dan Burgemeester Cohens kopjes thee. Mijn ribben kwamen ter sprake. 'Ik heb het gevoel dat mijn ribben in elkaar zakken.' 'Dat kan ook gebeuren.' En in één adem door vroeg hij of ik een niet-reanimeren opdracht had gegeven. Want als mijn rib zou breken, zou die een long kunnen perforeren. Met dit soort berichten heb ik wel heel veel moeite. En dan druk ik me zacht uit. Hij zou gaan overleggen met het AVL over die levensduur. Het voelde alsof hij het op een akkoordje zou gooien met de oncoloog. 'Hoeveel tijd zullen we die Ligthart nog geven? Wordt het niet tijd dat ze een andere dimensie opzoekt?' 'Ach, ze doet haar best. Geef haar nog even.' 'Vooruit dan maar.' 's Middags werd ik gebeld door de verpleegkundig specialist van het AVL. Ze konden echt niet voorspellen hoe lang ik nog had. Maar toen ze mijn mail kreeg had ze gedacht: hé, ze leeft nog! En die gedachte deelde ze even met me. Misschien omdat ze dacht dat dat me echt zou opbeuren. We hebben een gesprek in de trant van de gouden muur in de zitkamer die er opeens was zonder dat het P opviel, en het Perzisch tapijt waar P elke avond op zat, en het hem totaal ontging dat die verkocht was.
'Wat denk je dat ik kan vragen voor die bloemetjesstoel?' P staat in de keuken. 'Welke bloemetjesstoel?' 'Die bloemetjesstoel.' 'Huh?' 'Die stoel met bloemen!' 'Geen idee waar je het over hebt.' 'Hier, in de zitkamer!' Naar mijn idee kunnen de bloemen niet prominenter zijn dan op deze Louis XV-fauteuil. P komt de zitkamer in, werpt een blik op de stoel. 'Ja, weet ik veel. Ik heb toch helemaal geen opdracht gekregen om dat ding te bestuderen.' Mannen trekken hun truien anders uit dan vrouwen. Dat had ik al vaker gezien, maar het werd nogmaals bevestigd toen P mij uit mijn trui hielp. Hij had geen idee dat er ook een vrouwenmanier bestaat. Hij trok aan mijn kraag, ik moest naar voren buigen en toen werd de trui over mijn hoofd getrokken - claustrofobisch paniekmoment - beide armen strekken en uit was ie. Maar wat een omslachtige toestand! Vrouwen pakken hun trui met gekruiste armen aan de onderkant vast en dan over hun hoofd óf trekken gewoon eerst een mouw uit, trui over het hoofd en dan de andere.
Waar komt in godsnaam dat verschil vandaan? Mijn man kwam thuis met een feestballon nummer 5 en een bos rode rozen. Er ging een lampje aan. De elfde van de elfde...
Zeur je jarenlang dat je verbinding wilt en dan vergeet je zo'n mijlpaal. Ik had mijn broer en zus gecharterd om mij naar de bronsgieterij te brengen om mijn beeld bij te werken. Voor het eerst van mijn leven liet ik iets afgieten. Een langgekoesterde droom.
De laatste tien minuten van de rit werd ik steeds zenuwachtiger. Ik kreeg daar in de werkplaats de kans om de laatste hand aan het beeldje te leggen, dat moest dus perfect worden anders had ik straks een bronzen beeld met een vervormde voet, of hals, of rug. Tussen eindeloos veel beelden en kunstenaars kreeg ik een tafeltje. Broer en zus wilden weten hoe lang ik daar bezig zou zijn. Ik had geen idee. Geen probleem, ze gingen Tiel in en zouden zich wel vermaken. Het model was gemaakt in gietwas, iets anders dan ik gewend was. Niet makkelijk op te warmen met warme handen. Er lag een soldeerapparaat en ook een kaars, maar die durfde ik niet te gebruiken. Zag het plasje was al voor me. Maar ik moest wel op de een of andere manier de naden van de mal wegwerken en de afgebroken stukjes haar met boetseerwas aanplakken. Allemaal geen abracadabra, maar door mijn zenuwen was het een zware dobber. Aan de ene kant had ik mijn familie die op mij wachtten. En dan komt mijn pleasegedrag óf mijn bescheiden karakterstructuur naar boven - we weten allemaal welke van de twee we moeten aanvinken - waardoor ik mensen, ook al zijn het mijn broer en zus, niet onnodig wil laten wachten. Aan de andere kant constateerde de vraagbaak luchtbelletjes die ik totaal niet zag, ook al wees ze het aan. Die moesten bedekt worden. Ik dacht alleen maar: al dat geld dat ik ga besteden aan een bronzen beeldje, dan moet het niet ontploffen door een niet-geconstateerde luchtbel, een zichtbare naad hebben door de mal of een scheve neus omdat die bij het losmaken van de mal naar links was verschoven. Dat zijn geen helpende gedachten. En dan ook nog eens niet willen dat broer/zus zich zouden vervelen. Diepe zucht. Slechts een paar uur na de belevenis in de AH, liepen P en ik op de Gelderse Kade. Achter ons hoorden we een plons, gevolgd door gegil. P rende meteen naar de brug, waar zich al razendsnel een groep mensen had gevormd, die allemaal over de reling keken. Niemand greep in. Ik zag P wat verder sprinten en hield m'n hart vast. Ik ben wel zo egoïstisch dat ik zijn veiligheid duizend keer belangrijker vind dan een heldendaad.
Tegen de tijd dat ik bij de plek van het onheil was, daalde P al af van het trappetje aan de kade. Iemand achter me zei: 'Wat gaat die gast doen?' Die gast ging volgens mij een leven redden, maar ach, niet iedereen kan zonder ondertiteling. Naast mij stond een jongen die zijn schoenen had uitgedaan. Maar verder waren mensen alleen maar aan het filmen. Het gebruikelijke beeld. De held op sokken vertelde me dat de kerel die in het water lag een slechte trip had en zich van kant wilde maken, maar toen de sok zag dat de man niet verzoop, had hij toch niet zoveel zin om erin te gaan. Kwam bij dat P handelde, dacht ik, maar goed, schoenen uitdoen om in actie te komen vind ik wel meetellen. Want de rest van de minimaal honderd man staarde of filmde alleen maar. P kroop over het dekzeil van een bootje om bij de man te komen, die toch wel wat zwemslagen maakte. Ik gaf P mijn stok, P greep hem en hield hem voor de mislukte zelfmoordenaar. Die greep de stok en P kon hem op de boot trekken en naar boven hijsen. Heeft dat ding toch nog een positieve functie. Toen de man druipend op de kade stond brak er een luid applaus los. Terecht. Al vond ik het eerlijk gezegd allemaal wat veel voor één dag. En die hond kwam ook nog even om de hoek kijken. Met één arm in de mitella, en aan de andere kant een stok, was het vermoed ik wel duidelijk dat ik niet zo mobiel was. In de AH dacht een boodschapper daar anders over. Ik voelde dat iemand heel dicht achter me liep en toen werd ik tegen mijn hak geschopt. Ik draaide me om. Er stond een man van rond de dertig voor m'n neus met een capuchon over z'n hoofd getrokken. Ik vroeg of hij niet kon zien dat ik moeilijk liep en dat het prettig zou zijn als hij wat afstand hield. Hij reageerde niet, keek me alleen spottend aan.
'Where are you from?' 'Suriname.' Als hij uit Suriname kwam, dan kwam ik uit Papoea-Nieuw-Guinea. 'Can you please keep some distance?' Hij bleef me glimlachend aankijken. Een blik in zijn ogen die ik doodeng vond. Alsof hij bij voorbaat al plezier had in het vooruitzicht mij te martelen. Ik zag een man een paar meter verderop ons in de gaten houden, ik liep naar hem toe en vroeg hem me te helpen. Hij was supersympathiek, bleef bij me lopen en hield de capuchon in de gaten. Een andere man sprak ons aan en vertelde dat deze jongeman vaker vrouwen lastigviel. Zelfs na de kassa bleef de eerste man op me wachten en liep met me mee naar buiten. Daar stond de capuchon met z'n rug naar ons toe. Ik hoopte dat hij niet zou zien dat we naar buiten waren gelopen. De redder moest helaas halt houden bij de groentestal, maar ik durfde wel alleen verder. Kwam heelhuids thuis. En ik maar denken dat ik vanwege mijn leeftijd buiten de categorie verkrachtenswaardig val, en nu zeker met dat gehandicapte gestrompel. |
Blog t/m sept 2016 |
RSS-feed